woensdag 16 april 2014

Multicels (deel 2)

Waar we in het eerste deel over de multicel hebben gesproken over de functie van de coldpool en diens mogelijkheid om nieuwe cel-generatie te starten zetten we in het tweede stuk de reis doorheen de multicel-configuratie verder en behandelen we o.a.. de verschillende lineaire vormen, hun neerslagregime en ladingsverdeling.

Om verder te gaan waar we gebleven zijn pikken we de draad terug op bij de lineaire natuur van het forceringsmechanisme. Indien de forcing lineair is (zoals vb een front) is de lineaire natuur van een multicel een rechtstreekse weerspiegeling van de oriëntatie van de boundary waarlangs de multicel zich vormt.

Zoals altijd is de oriëntatie van de windscheringsvector erg belangrijk, maar diens implicatie wordt door velen jammer genoeg sterk onderkend.

Wanneer de 850 - 500mb windscheringsvector parallel staat op de lineaire forcing vinden we als resultaat dat de buien naar elkaar langs die lineaire natuur beginnen uitbreiden. We noemen dit "upscale growth". De wind op hoge hoogte waait dan de neerslag van de cellen downshear waardoor na een bepaald tijdsinterval de lineaire vorm begint te ontwikkelen.



We zien direct dat hierdoor de aparte coldpools ook beginnen te verbreden richting hun buren. Na verloop van tijd vinden we dan veelal een volle lijn en vinden we 1 gemeenschappelijke coldpool.

De grijze pijl is de 850-500mb windshearvector, de groene vlekken zijn de dimensies van het neerslaggebied en de stippellijn is het gustfront. Aangezien de cellen in het beginstadium discreet en geïsoleerd zijn vinden we hun gustfront ook enkel rond de cellen zelf. Na het tijdsinterval "delta-t" zien we het gustfront analoog aan cel-evolutie ook breder worden parallel met de lineaire forcing en na langere tijd (2delta-t) zien we de gemeenschappelijke coldpool die resulteert in 1 gustfront.

Een volwaardige shelfcloud-structuur vinden we daarom voornamelijk in het laatste stadium en wordt gevormd wanneer de cellen een grotere graad van interactie beginnen aangaan en het gezamenlijk gustfront wordt gevormd (middelste afbeelding).

De situatie is anders wanneer de 850-500mb windshearvector onder een hoek op de lineaire forcing staat.


In deze situatie zien we ook dat de cellen groter en breder worden maar nu zien we dat dit niet gebeurt parallel in de richting van de lineaire forcing maar onder (min of meer) dezelfde hoek die de 850-500mb windshearvector op de lineaire forcing heeft.

Hieroor kunnen we gerust (en terecht) de vraag stellen of dit nog kan geklasseerd woden als multicel, daar we ten tijde van "2delta-t" geen gemeenschappelijk gustfront/coldpool zien. Na verloop van tijd zien we toch dat de outflowboundaries van nabije cellen beginnen te interacteren met noorder of zuiderburen dus zien we toch op één of ander manier een inter-coldpool mixing.

Hoe autonomer de cellen en hoe meer ruimte zij hebben om te ademen (bij wijze van spreken) hoe meer kans dat de cel zich kan ontwikkelen tot supercel.

Onthoud dat we hierbij nog niet hebben gekeken naar de beweging van de lineaire forcing, want deze is even belangrijk dan de orientatie van de windschering op de forceringslijn. Sterker zelfs: de beweging van de lineaire boundary is een sterke modulator voor de creatie van supercels.

Als we terug denken aan de laatste blog-entry over het hoogram hebben we gezegd dat het de storm motion is die "beslist" of de bui genoeg heliciteit kan verkrijgen om een mesocycloon te ontwikkelen (supercel worden).



Wanner we dus een geforceerde storm motion hebben in een richting waarbij de storm-relatieve wind gunstig is en ons genoeg heliciteit oplevert voor de vorming van een mesocycloon vinden we mogelijks supercels in de lijn.

De beweging van de boundary waarlangs de convectie gebeurt is hierin de sterkste factor. Indien buien gebonden zijn aan een boundary en die boundary zelf verplaatst zich zal de celbeweging (relatief aan de grond: vb chaser of weerstation) ook een aangepaste trekrichting hebben en het is die veranderlijke beweging die verantwoordelijk kan zijn voor de vorming van supercels.

De afbeeldingen hierboven tonen een situatie waarin een boundary in een rechte lijn is. De term "lineair" spreekt niet over de rechte vorm van de lijn, maar eerder over hoe "vloeiend" de lijn is. Een curvende boundary is dus mogelijks ook gerust lineair, zolang de lijn niet onderbroken en vloeiend blijft.



Op bovenstaande afbeelding zien we dit goed. We zien de surface observations met grondrelatieve flow richting het noorden en de boundary beweegt analoog aan het eerdere diagram richting het ZO. Hierdoor vinden we een aangepaste (geforceerde) afwijkende beweging van de buien en zijn die supercels.

De curve van de boundary heeft ook dezelfde implicaties zoals hierboven beschreven bij de rechte case. Vinden we een sterk curvende boundary met overal min of meer hetzelfde windprofiel vinden we de lineaire natuur op de plaats in de curve waar de shearvector parallel op die boundary staat en vinden we de eerder discrete buien op de locatie waar de shearvectoren onder een hoek op die boundary staan.

Wat buienmode betreft zijn bovenstaande zaken de belangrijkste driver achter de precieze organisatie die multicels omvatten.

Bow echo's bestaan in alle oriëntaties en we vinden zowel kleine exemplaren op de kleinere mesoschalen als grotere. Het bestaan van een bow-echo is een rechtstreeks resultaat van de "descending rear inflow" in het model van Houze en zijn daardoor een indicator van de aanwezigheid van hevige wind aan het oppervlak: géén "kans op", maar de aanwezigheid vàn! 



Terwijl een bow-echo op grote schaal nog steeds een lineaire vorm heeft vinden we ook de LEWP regelmatig terug of het "Line Echo Wave Pattern" en is in wezen een aaneenschakeling van verschillende kleinere bow-echo structuren. Door de golvende natuur van dit patroon spreken we niet zo zeer meer over een lineaire strutuur maar wordt de term QLCS gebruikt: een Quasi Linear Convective System.

(meer informatie over de bow echo met de verwijzingen naar het onderzoek van Atkins 2005-2009 vinden we hier in een eerder artikel).

De RIJ die verantwoordelijk is voor de bow-echo is een gegeven wat eerder door dr Fujita is gedocumenteerd, dewelke we reeds hebben aangehaald in eerdere artikels. Het conceptioneel model door dr Fujita opgesteld (1978!) is de dag van vandaag nog steeds accuraat en toepasbaar.



We beginnen de bow echo met een neerslaggebied onder een ietwat lineaire vorm, waarna de RIJ-downburst begint op te zetten (we zitten nu reeds in stadium B) waardoor de bui verder begint door te buigen in stadium C en verder "uitbuigt" in D & E. We zien aan de uiteinden van de boog 2 gebieden van rotatie en deze vortices noemen we "line end" of "bookend" vortices.

De creatie van deze line-end vortices zijn analoog aan de manier hoe de mesovortices gevormd worden aan de voorzijde van het QLCS (bow echo) gustfront.

Volgens onderzoek door Weisman & Davis (1998) vinden we dezelfde 2 mogelijkheden, namelijk de neerwaartse of opwaartse tilting van horizontale vorticiteit, waarbij de opwaartse case (rechts) volgens het onderzoek de meest waarschijnlijke is.



Naargelang de grootte en duur van het buiensysteem is het mogelijk dat er een andere speler zich moeit met de evolutie van buiensystemen, namelijk de coriolis-"kracht" of de rotatie van de aarde. (kracht staat tussen aanhalingstekens omdat het eigenlijk geen kracht is maar een versnelling).

De rotatie van de aarde heeft een cruciale rol bij de atmosferische circulatie. We weten dat "wind" wordt opgewekt van hoge naar lage druk-gebieden, die op hun beurt worden opgewekt door temperatuursverschillen. De circulatie van de atmosferische flow hebben we te danken aan de impact die de coriolis-"kracht" op die luchtstromen heeft.

Indien buiensystemen een sterke omvang en een lange levensduur hebben zijn zij op termijn ook gevoelig aan de acceleraties die door de coriolis "kracht" worden opgewekt. Het coriolis-effect zoals dit genoemd wordt is sterk afhankelijk van de latitude. Met andere woorden: hoe hoger de latitude (in het noordelijk halfrond: hoe dichter bij de noordpool), des te sterker het coriolis-effect.

In onderstaande afbeelding zien we een bepaald punt op het oppervlak. Dat punt is net zoals de windvector onder te verdelen in 2 componenten: U & V. Het is het locale "V-component" van het punt in kwestie dat de sterkte van het coriolis-effect aangeeft.



Aangezien er aan het uiteinde van een bow-echo bookend-vortices verschijnen heeft het coriolis-effect implicaties op hun evolutie. Waar de bookend-vortex in dezelfde richting spint als de coriolis-"spin" vinden we een versterking van de bookend vortex. Bookend-vortices die niet in de richting van de coriolis-"spin" roteren ondervinden op termijn een afzwakking van hun rotatie.

Kortdurende bow echo's hebben hier minder last van omdat de coriolis-versnelling (alhoewel aanwezig) traag op gang komt vandaar dat de coriolis enkel impact heeft op langdurige systemen. Op termijn vinden we dan een asymmetrische opmaak van de bow-echo omdat de noordelijke bookend de sterkste is, vandaar ook de comma-vorm in D & E van het bow-echo model van dr Fujita.

Buiensystemen laten na afloop soms een MCV achter: een mesoscale convective vortex. Wanneer een buiensysteem veel lantente warmte heeft geproduceerd (condensatie - sterke wolken heeft gevormd) vinden we veelal een poel warmere lucht boven de coldpool.

Door het verticaal "buyoancy gradiënt" wordt de statische stabiliteit onder de warmte-anomalie verhoogd en krijgen we daardoor PV (potentiële vorticiteit).
\[PV = \left( {\frac{{\zeta  + f}}{\rho }} \right)\frac{{\partial \theta }}{{\partial z}}\]
In essentie tellen we hier de relatieve vorticiteit "zeta" bij het coriolis effect "f" op en krijgen we de absolute vorticiteit. De absolute vorticiteit met een bepaalde densiteit "rho" wordt dan vermenigvuldigd met de statische stabiliteit (d-theta/dz). Uit de formule zien we dat de PV verhoogd wordt wanneer de statische stabiliteit wordt verhoogd (d-theta/dz term) alsook wanneer de densiteit van de lucht afneemt of de corioliskracht verhoogt. ("rho" & "f"). MCV's hebben dus net als de asymmetrie van de bow echo meer kans om te bestaan en vinden hun langste levensduur in de hogere latitudes.

Voor meer informatie over het MCV verwijs ik jullie graag naar de onderzoeken van Raymong & Jiang, meerbepaald hun artikel van 15 december 1990.

De systemen die we tot dusver hebben beschreven zijn coldpool-dominant maar er zijn ook grote multicels die niet coldpool dominant zijn. We denken aan de "elevated multicel". Een elevated multicel (en andere hoogte-convectieve gebeurtenissen) impliceert dat de updraft - of liever het parcel-traject - een bron heeft boven het oppervlak waarbij de lucht bij de grond mogelijks zelfs conditioneel stabiel is.



Aangezien de inflow van deze buien zich boven de coldpool bevindt is de coldpool in zo een situatie niet dominant maar kijken we naar andere mogelijkheden die hoogte-convectie ondersteunen. We denken vooral aan mid-level frontogenesis, gelocaliseerde warmte-advectie, zwaartekrachtsgolven & differentiële vorticiteitsadvectie (PVA of PdVA wordt het het laatste april-artikel behandeld).

Deze systemen produceren downdrafts maar de outflow kan geen convectie vanaf de grond produceren omdat de condities bij de grond stabiel zijn.

Een MCS kan ook evolueren naar een MCC of een Mesoscale convective complex. We spreken van een MCC wanneer een MCS een groot, cirkelachtig wolkenschild vormt (geobserveerd door satelliet als CTT of cloudtop temperatures) die een bepaalde dimensie heeft met een specifieke cloudtop temperatuur-verhouding.



Om geclassificeerd te worden als MCC moet er een CTT van max -32°c te vinden zijn over een gebied van 100000 km² of groter, waarbij we een gebied hebben ter grootte van 50000 km² met CTT's van -52°c. Het 6.5µm kanaal is hierbij een goede indicator alsook de 10.7µm daar we bij deze gemakkelijk de CTT kunnen vinden.

Opgelet! in het eerste deel heb ik het MCC onder "non-lineair" geplaatst in het schema, maar het kan gerust zijn er onder het cirkelvormig aambeeld een lineaire convectieve gebeurtenis plaatsvindt.

Belangrijk om weten is dat er geen 1 model is om multicel systemen aan te duiden. Er is altijd behoorlijke overlapping tussen de verschillende manieren hoe een bepaalde situatie kan evolueren. Ook zijn lokale invloeden van groot belang zoals o.a. de aanwezigheid van obstructies voor de low level flow (grote bomen, grote gebouwen) en orografie.

Ook vinden we een grote overlap tussen windprofielen voor Bow-echo's & supercels. Hier staat de buienbeweging nog steeds centraal waarbij een optimale buienbeweging de maximale heliciteit oplevert en streamwise vorticity de hoogte in schiet. 

Een duimregel die veel wordt toegepast is hoe de windschering zelf is "opgesteld". Eénzelfde DLS waarde kan op verschillende manieren tot stand komen. Vinden we de sterkste windschering in de onderste niveaus pakweg 0 - 3km zijn bowecho's veelal het resultaat. Vinden we daarentegen dezelfde DLS maar de windschering verdeeld over de volledige 0-6km zijn supercels eerder aan de beurt omdat die situatie bevorderlijk is voor de mid-level mesocycloon (3 - 6 km hoog).

We weten maar al te goed dat een zware buienlijn veelal gepaard gaat met bliksemactiviteit. Hoe sterker het systeem, hoe meer bliksemactiviteit. Met de "sterkte" doelen we op 2 dingen: de efficiëntie waarmee nieuwe cellen tot ontwikkeling kunnen komen door de coldpool-shear interactie en de thermodynamische eigenschappen. Hoe sterker die 2 eigenschappen aanwezig zijn hoe hoger de bliksemactiviteit in een multicel zal oplopen.



Dit schema in acht houdend kunnen we afleiden waar we welk type CG-bliksem kunnen vinden in het MCS. In de convectieve kern verwachten we hoofdzakelijk negatieve CG's en een hoge flashrate. Waarom die hoge flashrate? Wel die vinden we omdat we in die kern de meeste graupel vinden die verantwoordelijk is voor de splitsing van de lading ("charge separation").

De positieve lading aan de cloudtop & overshooting top vinden we omdat de positief geladen deeltjes naar boven worden getrokken (ze zijn lichter) en zo lateraal langs het aambeeld uitspreiden. Dit hebben we te danken aan de updraftsnelheid (>= 10 m/s) waarmee de convectieve regio van een MCS veelal te maken heeft.

In de stratiforme neerslag vinden we zulke sterke convectie niet. De verticale beweging daar, is amper een halve m/s. De lading in de stratiforme neerslag vinden we door de advectie van lading uit de convectieve regio ("seeder-feeder" mechanisme) met de positieve lading in de cloudtop die zich zoals gezegd lateraal uitspreidt.

Momenteel is het in nog niet geweten waar de omcirkelde negatieve lading in de stratiforme neerslag vandaan komt maar observaties hebben aangetoond dat die daar daadwerkelijk is. Men vermoedt dat die belangrijk is voor de IC bliksem, maar onderzoek dient dit nog uit te maken.

De positieve CG's in het stratiforme gebied vinden hun weg door een stepleader die zich richting de omcirkelde negatieve lading begeeft en zo gemakkelijker de weg naar de grond vindt. Ook is de flashrate in het stratiforme neerslaggebied veel zwakker. De reden daartoe vinden we in het feit dat de grootste graupeldensiteit in de convectieve regio te vinden is, en het is die "graupel" - zie het als zachte hagel - die verantwoordelijk is voor de splitsing van de lading.

We hebben daarnet die "stratiforme neerslag" vermeld. Wat is die eigenlijk en welke vormen kunnen die aannemen?



We onderscheiden 3 types stratiforme neerslagtypes namelijk het TS, LS en PS type. Het bovenste type: LS of "Leading stratiform" wordt gekarateriseerd door sterke systeem-relatieve flow van achter naar voor in de hogere niveaus, waardoor het aambeeld vooruit gesmeerd wordt en een "leidend stratiform gebied" genereert. Deze configuratie creëert een minder sterke coldpool waardoor dit systeem niet coldpool-dominant is.

Het tweede voorbeeld (in het midden) is de PS of "parallel stratiform" en vinden we wanneer de upper level systeem-relatieve flow parallel met diens oriëntatie ligt. Dit systeem genereert duidelijk een sterke coldpool aangezien elk neerslaggebied overlapt met de andere cellen, wat ook de reden is waarom een systeem deze configuratie niet lang kan houden.

De TS-situatie, "Trailing stratiform" is de meest voorkomende waarbij we de gekarakteriseerde achterwaartse tilt zien door de coldpool-dominantie. Relatief aan het systeem vinden we de sterkste wind nu onderaan als inflow (mede door het vooruitrushen van de coldpool en zo de nieuwe celgeneratie).

Merk op dat zoals gezegd in het eerste deel: de configuratie gemakkelijk kan veranderen bij de vorming van een coldpool. De reis van de voorwaartse tilt tot de erecte updrafts naar de achterwaartse helling gaat soms ook gepaard met een reis doorheen de stratiforme neerslagtypes van LS naar PS naar TS. De reis van PS naar TS is de meest voorkomende, aangezien bij de PS een nakende coldpool-dominantie een grote waarschijnlijkheid is.

Alhoewel verder onderzoek nodig is om bliksemintensiteit, wind-events en andere verschijnselen op een juiste manier te voorspellen en te anticiperen zien we dat de kennis van multicel systemen beslist behoorlijk groot is.

We kijken al uit naar wat de toekomstige onderzoeken ons brengen.

dinsdag 15 april 2014

Multicels (deel 1)

Buiensituaties evolueren in een wijde waaier van mogelijkheden. We zien buien in clusters of groepen, georganiseerd in een lineaire structuur alsook geïsoleerd waarbij de geïsoleerde buien het minst vaak voorkomen terwijl de vermelde organisaties het vaakst optreden.

We ondescheiden daarom onweersbuien in 3 verschillende klasses nl. de single cel, supercel & multicel waarbij een multicel deel uitmaakt van de single (al dan niet super)cel. In deze 2-delige blog-entry hebben we het over de interacties die buien met andere buien kunnen ondervinden, resulterend in de multicel-configuratie en vergelijken we de verschillende multicel-types met elkaar.

De groep multicel bevat verschillende structuren die allen hun eigen patroon en eigenschappen hebben en is daarom een brede term. Onderstaand diagram toont ons hoe multicel-systemen kunnen geclassificeerd worden.



We zien dat kleine multicels kunnen geklasseerd worden in 2 subtypes: dominante coldpool of niet, terwijl grote multicels in een sqall line, MCS of een MCC configuratie zijn. We zullen zien dat elk klasse of type verschillende eigenschappen bevat terwijl de windschering in elk multicel type (groot of klein) een cruciale rol speelt in de organisatie en het onderhoud van multicel systemen.

Ook bekijken we de coldpool-dominantie bij de grote multicels, de 3 subtypes van de lineaire groep en de 2 non-lineaire configuraties, waaronder het reeds vermelde MCC en het MCV.



Het is misschien het aangewezen moment om de term "multicel" zelf te verklaren zodat we weten waarover we praten.

In de meteorologie spreekt men van een multicel wanneer er in een gebied meer dan 1 cel aanwezig is waarbij ze dicht genoeg in elkaars omgeving zijn dat ze elkaar op één of andere manier beïnvloeden. Meestal bevatten ze dezelfde coldpool en neerslag-gebied.

Wanneer er neerslag onder een cumulonimbus onweerswolk wordt geproduceerd koelt de lucht af naar de wetbulbtemperatuur. Die "poel" van koude lucht noemt men de coldpool.



De coldpool speelt in het onderhoud van multicels een belangrijke rol. De sterkte van de coldpool en de bijhorene outflow is afhankelijk van de diepte van de coldpool en diens temperatuursverschil met de omgeving.

De creatie van de coldpool vinden we in de aanwezigheid van verdampingsprocessen, "evaporative cooling" genoemd. Hierbij zien we dat de neerslag verdampt en daardoor warmte uit de omgeving onttrokken wordt en in het verdampingsproces wordt stopt met als resultaat: afkoeling. We danken dit aan de 1e wet van de thermodynamica: "Energie kan nooit gecreëerd of vernietigd worden: enkel omgezet".

De kleinste multicels (meso-gamma schaal) ondervinden een configuratie waarbij we veelal verschillende cellen zien, elk in een eigen stadium van ontwikkeling. Nieuwe cellen worden gevormd voor de oude cellen uitsterven en gebeurt in hun directe omgeving waarbij hun wolken niet meer apart te onderscheiden zijn en de volledige wolkendimensie verschillende neerslagkernen kan bevatten.



Cel A is de oudste cel en bestaat enkel uit outflow (neerslag) terwijl cel B in haar piek zit. Cel C & D zijn de nieuwe cellen in hun updraft-stadium. Dit type multicel is meestal niet groot genoeg om een lineaire configuratie aan te nemen alhoewel ze gerust langs een lineaire boundary kan ontspringen. Aangroei (cel-initiatie) vinden we op een voldoende afstand van de zwakke coldpool.

De zwakke coldpool is meestal onvoldoende om nieuwe cel-initiatie te starten, vandaar dat we bij deze systemen veelal moeten kijken naar externe forcing en instabiliteit om de duur en evolutie te benaderen. We zien de cel-motion naar rechts, maar deze aanvoer kan in elke richting gebeuren. We spreken hier over de niet-dominante coldpool case.

Zoals gezegd kan een klein multicel-systeem toch gedomineerd worden door een sterke coldpool... zeker wanneer de omgeving waarin de multicel zich voordoet bevorderlijk is voor diens creatie. We denken aan het "what comes up, must come down" principe, dus een sterke instabiliteit en een hoog vochtigsaanbod.



Met de trekrichting van de cellen naar links vinden we de nieuwe cel-generatie aan de rechterkant: de voorzijde van de coldpool. De forcering gebeurt al dan niet langs een grens maar diens voorbestaan is nu grotendeels afhankelijk van de efficiëntie waarmee de coldpool nieuwe cel-generatie ontwikkelt. Deze systemen zijn dan ook gekend om nog actief te zijn terwijl de forcing ervoor enige tijd is verdwenen.

Door de voorwaartse translatie van de coldpool vinden we de nieuwste convectie primair op die flank. De zijpanelen van de Belgocontrol radar zijn hiervoor een handige tool omdat zij de stadia van de buien kunnen laten zien, dit zowel in een west-oost als een zuid-noord as.

In grote multicels vinden we veelal verscheidene cellen in een gelijkaardig stadium van ontwikkeling. Een squall line is ofwel een multicel groot genoeg om lineaire vormen te ontwikkelen ofwel een lijn, bestaand uit single of multi/supercels, terwijl een QLCS of "Quasi Lineair Convective System" ergens in diens evolutie een minder of niet-lineaire vorm heeft aangenomen. Een MCS is een multicel (of squall line) met een aangeengesloten neerslag-gebied die in minstens één richting de 100km behaalt. 

Veel multicels halen het lengte-criterium niet, maar opereren nog steeds op mesoschaal. Grote multicels móeten daarom niet 100% aan dit criterium voldoen (aldus NOAA). Men spreekt in de meteorologische wereld regelmatig van een "klein MCS", maar we kijken al iets te ver vooruit...

Het is belangrijk te weten hoe een coldpool in staat is om nieuwe celgeneratie te starten vooraleer we verder gaan en de verschillende lineaire types behandelen. Hoe werkt die opstuwing precies?

We moeten terug denken aan windschering en het alom bekende gedachte-experiment uitvoeren...



Plaatsen we een rad (of in dit geval een rol) gaat die door de toename van de windsnelheid met hoogte beginnen roteren en krijgen we vorticiteit langs een horizontale as. Wanneer de horizontale vorticiteit van de omgeving (door de windschering) samenwerkt met de horzontale vorticiteit langs de coldpool en we daardoor een gecombineerde opstuwing vinden kan die genoeg zijn om de nieuwe cellen te genereren.

De RKW-Theorie (genoemd naar Rotunno, Klemp & Weissman, 1988) zegt net dat! "Het liften van luchtddeeltjes tot hun LFC is het meest efficiënt wanneer er een balans is tussen de sterkte van de coldpool-circulatie en de circulatie van de omgeving."

Hieronder zie je de presentatie van dit gegeven in een afbeelding van Markowski.



Aan de linkerkant zien we de 2 vorticiteitsvectoren (coldpool & omgeving) in dezelfde richting draaien en daardoor kunnen we ook geen gezamenlijke opstuwing vinden. Langs de rechterkant daarentegen zien we de verticale circulatie van de coldpool en omgeving samenwerken met hun vorticiteitsvectoren elkaars tegenpool.

Er dient dus een correlatie te zijn tussen de sterkte van de windschering en de coldpool om een optimale situatie te garanderen voor een verder onderhoud van de multicel-configuratie.

Het RKW onderzoek bracht de sterkte van de coldpool-circulatie onder in een term "C" en de sterkte van de windschering in "delta-U". De verhouding daartussen zegt ons het verhaal van de gemaximaliseerde lift.



Bovenstaande afbeelding is een aanpassing van het materiaal op "Meted", waar we een simulatie zien van een interactie tussen de coldpool (koude kleurvulling) en de omgeving. Wanneer de verticale windschering primeert wordt de lucht downshear getrokken vooraleer het de LFC bereikt. 

In het tweede paneel zien we de optimale situatie. Hier is de coldpool-circulatie en deze door de windschering in balans. We zien duidelijk dat we diepe lift hebben tot aan de LFC en zo onze nieuwe celgeneratie hebben. Het derde paneel toont ons de situatie wanneer de coldpool-circualatie sterker is dan deze door de shear (of de afwezigheid ervan). De lucht wordt dan over de coldpool getrokken waardoor de LFC mogelijks niet kan bereikt worden.

De RKW-resultaten bieden ook een verklaring waarom de helling van de updrafts in een multicel met tijd kan veranderen. Wanneer de multicel geen coldpool heeft hellen de buien in de richting van de aansterkende wind met hoogte. De precieze helling van de buien vinden we in de ratio tussen de updraft en de verticale windschering. Een zwakke updraft in een te sterk gescheerde omgeving scheurt daardoor de upraft kapot waardoor buienvorming niet lukt.



Wanneer de coldpool zich ontwikkelt begint de circulatie van de coldpool meer en meer invloed te hebben op de overheersende schering-circulatie. Daardoor komen de updrafts eerder recht te staan. Wanneer de coldpool nog sterker wordt begint het systeem naar achter te tillen, analoog aan de eerder gemelde simulaties omdat de coldpool nu de dominante factor in het spel is geworden.

Omdat de updraft nu boven de coldpool hangt vinden we boven de coldpool dus een verlaging van de luchtdruk. Deze drukval wekt een circulatie op waarbij lucht van achter de bui naar voor wordt gebracht. 

In het schema zien we de horizontale vorticiteit die langs de updrafts worden gegenereerd en de vorticiteit langs de coldpool. De vorticiteitsvectoren bovenaan en onderaan versterken die voorwaartse flow nog eens waardoor over enige tijd een RIJ wordt gevormd: de "Rear inflow jet". 



Op bovenstaande figuur (van houze et al 1989) zien we dit als de "descending rear inflow", net als de "ascending front to rear flow" die de stijgbeweging in de multicel aanduidt. De natuur van die interface met bijhorende shelfcloud verklaart op zijn beurt dan ook waarom de meeste CG activiteit net achter de passage van de shelf/acrus-structuur te vinden is.

Het is daar langs die interface dat de meest chaotische beweging zich bevindt wat resulteert in een sterkere opwekking van statische elektriciteit met als gevolg het nodige ladingsverschil tussen de bui en de aarde.

Door die "back to front flow" kunnen buienlijnen na verloop van tijd beginnen doorbuigen en bekomen we een bow-echo met als motor die RIJ.



De sterkte van de RIJ is veelal afhankelijk van de sterkte van de instabiliteit. Hoe sterker de updrafts, hoe heviger de "front to rear" flow gaat zijn en hoe dieper de drukval boven de coldpool en hoe sterker de coldpool uiteindelijk kan zijn (onthoud: "what comes up must come down").

Eén van de grote missers in de huidige meteorologie is het forecasten en nowcasten van zo een RIJ. Indien men juiste en tijdige wind-forecasts wenst te pinpointen dient er verder onderzoek te gebeuren want dit is ten tijde van vandaag nog steeds onmogelijk.

Een veelgebruikte methode die wordt gehanteerd in de short-term forecasts is dat er op de radiale snelheidsbeelden gezocht wordt naar een "MARC" signatuur (Mid Altitude Radial Convergence). Er wordt een dwarsdoorsnede gemaakt loodrecht op de multicel-as en daarop wordt gekeken of doorheen de cross-section in een opwaartse richting een soort "muur" wordt gezien.

Een mogelijk voorbeeld daarvan vinden we hier en is een illustratie van een onderzoek door Przybylinski in 1995.



De lineaire vorm die grote multicels frequent aannemen zijn een reflectie van de uitgerekte lift die voorkomt langs een extern forceringsmechanisme zoals een lineaire boundary of een front en wordt gemoduleerd door de coldpools & diens interacties die inwendig tot stand komen.

Een front zorgt voor lineaire forcing, maar indien de DLS windshearvector sterk is en haaks op het front staat (of eender welke boundary) blijven buien eerder autonoom en zien we geen "groei" richting elkaar langs het lineair forceringsmechanisme.

Wanneer de DLS windshearvector parallel staat op de forcerings-as zien we een lineaire configuratie als resultaat, maar deze vormen en hoe die tot stand komen bekijken we in het tweede deel. Voorts zal er dieper worden ingegaan op de neerslag- en ladingsdistributie, bow echo's en hoe de coriolis-force (f) de systemen kan beïnvloeden.

Hopelijk tot dan.

zondag 6 april 2014

Buiensituatie 07 april 2014

De model berekeningen hinten op een potentiëel gestructureerde buienlijn die over West Europa wordt verwacht. De synoptische setup toont sterke gelijkenissen met dat van Johns in 1993, waarbij we in het oranje gebied de zwaarste buienactiviteit mogen verwachten. De gelijkenis met het TPW product is treffend.


Verwacht wordt dat er langs een Z-N tot ZZW-NNO georiënteerde convergentielijn een al dan niet onderbroken buienlijn zal vormen die zich in een NO richting zal begeven. Dit met een instabiliteit rond de 400-500J/kg op de piekwarmte hinten de weermodellen op onweersbuien. Zeker wanneer we de windschering in acht nemen. Erlangs en net voor de boundary uit zien we sterke signalen op gestructureerde buien aangegeven.

De locatie van de sterkste windprofielen verplaatst zich doorheen de dag van het noorden van Frankrijk, langs het westen en de noordelijke helft van België richting centraal, de zuid en oostelijke helft van Nederland. In die band zouden we volgens deze shearconfiguratie de sterkst gestructureerde buien moeten kunnen vinden.

15Z

18Z

Spiegelen we dit aan de verticale windschering zien we hinten van een shearmaximum boven het ZO van Nederland rond 18Z, wat hier geïllustreerd wordt.


De organisatie van de buienlijn vinden we in de sterke shearwaarden, met windschering die de 20m/s bereikt. De sterkte van de windschering en de hoek op de convergentielijn promoten een sterke kans op bowing-segmenten en onderbrekingen. Een LEWP- patroon is een waarschijnlijk scneraio, wat ook wordt toegekend aan het model van Johns in 1993. Mesovortices als geïsoleerde tornado's zijn best mogelijk aangezien er in de onderste niveaus sterke windschering aanwezig is.

We zien ook een duidelijke band van vorticiteit die richting het NO geadvecteerd wordt. Die PVA creëert opwaartse beweging dewelke zich boven de convergentie begeeft. we zien een sterke correlatie en supercpositie.


De windschering ondersteunt ook supercels. Afhankelijk van de trekrichting of een interactie met een outflowboundary is het mogelijk dat er supercellulaire processen aanwezig kunnen zijn. Een denkbaar scenario als een zuidelijke cel in haar levensduur een outflowboundary tegenkomt, nagelaten door een noorderbuur. Een heliciteiteswaardes van 150 m²/s² of zelfs hoger zijn niet ondenkbaar indien zij beginnen afwijken van hun buientraject. Hoe oostelijker een bui begint te trekken hoe sterkere heliciteit zij geniet met de meest optimale trekrihting richting het OZO tot ZO).

Vanwege hoek van de windshearvectoren op de boundary dienen we dus de trekrichting goed in de gaten te houden.

Al bij al vertaalt het grootste gevaar zich onder de vorm van een squall line of QLCS (quasi linear convective system), waarin de meer discrete cellen de beste structuur kunnen genieten wanneer zij een ongestoorde inflow kunnen injecteren.

dinsdag 1 april 2014

Het hodogram

In vorige artikels hebben we de dynamische eigenschappen van onweersbuien besproken en hun mogelijkheid tot het brengen van noodweerverschijnselen zoals hagel, hevige rukwinden en tornado’s. We hebben het ontstaan van supercels en het belang van barokliene vorticiteit behandeld in een intens tweeluik “De supercel tornado” alsook “Bow echo’s & mesovortices” tot “Significante hagel events”.

In tegenstelling tot deze artikels die toch wel behoorlijk theoretisch waren is dit artikel iets luchtiger (maar daarom niet gemakkelijker of korter) en behandelt enkel de kinematische (wind) eigenschappen waarin deze onweersbuien kunnen voorkomen.

Ik heb gekozen om in dit artikel de wiskunde er bij te betrekken om aan te tonen hoe je door het gebruik van een hodogram op een vakkundige en speelse manier de wiskunde links kan laten liggen daar het een visuele representatie is van wat er zich wiskundig afspeelt.

Wees dus niet ontmoedigd: het is behoorlijk gemakkelijk, intuïtief en het artikel op deze manier brengen biedt de lezer de mogelijkheid om de 2 representaties aan elkaar te spiegelen.

We weten ondertussen dat onweersbuien sterk beïnvloed worden door de windparameters waarin zij ontstaan. De manier hoe de wind in de atmosfeer is opgemaakt is een sterke modulator voor het ontstaan, gedrag en evolutie van onweersbuien en noemt windschering. Dit artikel is volledig aan windshear gewijd waarbij we bekijken hoe we windschering op een grafische manier kunnen presenteren.

Met windschering bedoelen we de manier hoe op 1 enkele locatie de wind met hoogte verandert, zowel op vlak van windrichting en snelheid en heeft een enorme impact op onweersbuien. Hoe sterker de windschering hoe heviger de organisatie van onweersbuien. De windschering (of beter gezegd verticale windschering) is zo belangrijk dat het met kop en schouders boven het belang van de thermodynamische eigenschappen van onweersbuien uitsteekt.

In plaats van de wind-parameters per hoogte op kaart te bekijken of je te verliezen in tabellen waar de windrichting & snelheid in vermeld staat bestaat er een methode om die windschering in beeld te brengen waardoor we via 1 enkele blik kunnen zien hoe sterk de windschering is en welke buienmode we mogen verwachten (single cels, multicels, supercels). 

Alsof dat niet genoeg is kunnen we ook met gemak uitmaken of de supercels left of rightmovers zullen zijn, of we tornado's mogen verwachten, kunnen we de trekrichting van buien benaderen en hoe sterk supercels zullen afwijken van deze buienrichting. We kunnen a.d.h.v. een hodogram zelfs de integraalformule voor de SREH (stormrelatieve heliciteit) reduceren tot een simpele blik op het diagram.



Al deze interessante informatie vinden we dus in 1 enkel diagram en noemt “het hodogram”.

Op het hodogram worden windvectoren aangebracht per hoogte in de atmosfeer, vb wind op 10m, 500m, 1000m ofwel in millibar zoals 1000mb, klimmend naar 950mb en zo verder richting de 900mb, 850mb en hoger. Vooraleer we dit diagram in al zijn glorie tonen is het belangrijk te weten hoe de wind in de numerische weermodellen is opgemaakt aangezien dit ons zal helpen om het hodogram te begrijpen.

In de weermodellen zoals GFS, ECMWF, NOGAPS, HIRLAM, RAP, ALARO, HARMONIE, WRF… kortom: in èlk model vinden we géén 1 parameter die wind aanduidt. In tegenstelling is de wind opgesplitst in 2 componenten, namelijk een U- en een V- component. Het U-component stelt de wind voor in een west naar oost richting terwijl het V-component de wind voorstelt in een richting van zuid naar noord. Elk U- & V- component wordt geïllustreerd in de vorm van aparte vectoren.

\[\vec V = {\vec V_u} + {\vec V_v}\]

Een vector is een pijl die 2 waarden in 1 illustratie toont. De lengte van een vector is de sterkte of intensiteit (in dit geval de windsterkte) terwijl de richting waarin de pijl wijst de richting van de wind voorstelt waar de wind naartoe blaast (in graden °). Combineren we deze 2 componenten met elkaar vinden we de volledige windvector dewelke je op meteorologische kaarten ziet.

Om jullie niet te ontmoedigen zullen we direct de woorden koppelen aan de grafische interpretatie zodat het vlug duidelijk wordt wat er bedoeld wordt.


In bovenstaande illustratie zien we 1 windvector en hoe die uit zijn U- en V component is opgemaakt. We zien een representatie van een windvector die ongeveer richting het NO wijst (in graden 220°), en stelt dus wind voor die vanuit het ZW komt. De concentrische cirkels op het diagram zijn de windsnelheden die aangeduid worden door de lengte van de windvector waardoor we in dit voorbeeld een windsnelheid zien van 32 knopen richting 220°. De dunne rode lijnen tonen de 2 delen (U & V) waaruit de windvector is opgemaakt, terwijl de dikke rode lijnen de lengte (sterkte) van het U- en V- component aanduidt.

Aangezien de wind op 1 enkele locatie met hoogte verandert van windrichting en snelheid kunnen we per hoogte elke windvector aanduiden zoals hieronder geïllustreerd.


Het concept windschering is eigenlijk het verschil tussen de windvectoren op 2 hoogtes. Als voorbeeld kennen we de DLS (deep layer shear) die het verschil is tussen de wind op 6km hoogte en de wind aan het oppervlak. Hiervoor trekken we de wind aan het oppervlak af van de wind op 6 km hoogte.

Een verschil van windvectoren wordt grafisch weergegeven door hun eindpunten aan elkaar te hechten en een pijl te trekken van de wind op het laagste niveau naar de wind op 6km hoogte, wat hieronder wordt weergegeven. Enkel de wind aan het oppervlak en de wind op 6km hoogte is hier getekend, anders wordt het te onoverzichtelijk.

\[\frac{{\partial \vec V}}{{\partial z}} = {\vec V_{hoogste}} - {\vec V_{laagste}}\]

Als we nu hetzelfde doen analoog aan het vorige voorbeeld waar we windvectoren hebben getekend van het oppervlak tot 10km hoog en per klim van 1km de eindpunten met elkaar verbinden bekomen we het uiteindelijke hodogram, waarbij elk segment de windschering voorstelt tussen de laag die het representeert. Hoe langer het rood lijntje tussen 2 eindpunten, hoe sterker de windschering.


Het hodogram is enkel de rode lijn die de windschering per laag voorstelt (per klim in 1 km) en spreekt niet over de zwarte lijnen die de windvectoren per hoogte zijn. Daarom worden er op het diagram enkel punten gezet die dan door het hodogram met elkaar worden verbonden. Een label bij de punten toont ons dan voor welke hoogte dit punt dan de windvector representeert want je ziet reeds dat het gemakkelijk onoverzichtelijk kan worden door al die lijnen en pijltjes.

Hierdoor bekomen we het volgende simpele resultaat.


Dit is dus het hodogram. Het lijkt een stomme simpele lijn maar de kracht om hiermee severe weather forecasts op te stellen kent zijn gelijke niet.

Vanaf hier wordt het pas ècht interessant.

Hodogrammen bestaan in oneindig veel configuraties: lang, kort met rechte, curvende en chaotische vormen.

Aangezien we weten dat de buienmode afhangt van de hoeveelheid windschering, meerbepaald de DLS (0 – 6 km shear) kunnen we aan de hand van drempelwaardes reeds uitmaken of een situatie ondersteunend is voor supercels. Is de DLS windshearvector een 20 m/s of ruwweg een 40 kts vinden we een situatie die supercels ondersteunt.


De curve van het hodogram toont ons (indien deze drempelwaarde behaald wordt) in welke zin de supercel zal roteren. Een hodogram dat een curve heeft naar rechts (wijzers-in) heeft een windprofiel met “veering”: windrichting die per klim in hoogte wijzers-in draait en promoot rightmovers (indien de shear hoog genoeg is). Een hodogram dat tegenwijzers-in draait promoot leftmovers en bevat een "backing" windprofiel. Een hodogram dat een eerder rechte vorm heeft, promoot left- èn rightmovers: er is dan geen voorkeur waarbij er na een split een left èn rightmover ontstaan die even sterk zijn.

Een hodogram met lage windschering en een chaotische vorm promoot pulse-buien, de zogenaamde single cel (“airmass thunderstorms”). Een voorbeeld hiervan vind je hier.


Het is belangrijk te weten dat het niet enkel de chaotische vorm is die in beschouwing moet genomen worden maar de sterkte van de windschering om een onderscheid te maken tussen supercels of gewone pulse-buien. Er bestaan gerust chaotische vormen dewelke een windschering illustreren die tot ver boven de supercel drempel (DLS, 0- 6 km windschering: 20 m/s, 40 kts) gaan. Vandaar dat men eerder de DLS in acht moet nemen en daarna de vorm moet benaderen.

Een hodogram met iets hogere windschering die tussen de supercel en de pulse-bui ligt is een indicatie op een multicell/squall line/MCS configuratie.


In dit voorbeeld zien we matige windschering met een DLS van min of meer 30 kts of 15 m/s en promoot de kans om multicels. Toch… De windschering komt in de buurt van de 20 m/s (40 kts). Dus mogelijks zijn er toch supercellulaire processen mogelijk. Onthoud vooral dat die “drempelwaarde” geen vast gegeven is. Verassingen zijn altijd mogelijk door bijvoorbeeld invloed van een outflowboundary, convergentielijn, orografie of wat dan ook.

Nu we de manier hebben gedemonsteerd hoe we kunnen uitmaken welke buienmode we kunnen verwachten gebruik makend van het hodogram en (mits voldoende shear) onze verwachting van met left en/of rightmovers hebben kunnen we ons misschien afvragen wat we nog kunnen zien op een hodogram.

Naast bovenstaande dingen kunnen we een schatting maken van de trekrichting van de buien: ook een belangrijk gegeven in het severe weather gebeuren, want eenmaal je convectie ziet ontspringen en je weet op voorhand welke trekrichting ja kan verwachten weet je als meteoroloog welke gebieden er in het pad liggen van onweersbuien.

De manier hoe dit bepaald wordt is behoorlijk straight-forward. De diepte waarin de atmosfeer de grootste impact heeft in het sturen van een bui is in de onderste 6 km. Om de berekening te maken nemen we het gemiddelde van de U-componenten in de 0-6km laag en tellen we die op bij het gemiddelde van de V-componenten van de 0-6km laag. Het resultaat daarvan is de "storm-motion" en toont ons de trekrichting & snelheid van de buien.


\[{\vec V_s} = \vec Vav{g_u} + \vec Vav{g_v}\]

Bovenstaand diagram stelt het traject voor die de buien zullen volgen wanneer zij ontstaan in dit shear-profiel. Supercels daarentegen wijken wegens de drukverdeling rond de cel van dit traject af. Leftmovers wijken links van de buienbeweging af, terwijl rightmovers natuurlijk rechts van dit pad afwijken. Hoeveel ze van dit pad afwijken is een sterke functie van de windschering, meerbepaald de DLS (Deep Layer Windshear).

Op een hodogram is het gemakkelijk te vinden wat dit afwijkend pad zal zijn, zowel voor de right- als leftmover.

Eenmaal we een buienbeweging hebben, door de gemiddelde 0-6km wind aan te duiden kunnen we beginnen. We tekenen de DLS windshear vector en trekken daarna een lijn (de "orthagonale" genoemd) loodrecht op die DLS windshear vector door het punt van de buienbeweging.

Op die lijn plaatsen we langs weerszijden op een 15 kts (of 7,5 m/s) een bolletje. Met de windshear vector in onze rug is het linker bolletje de leftmover, en het rechter bolletje de rightmover. Trekken we nu een vector van de oorsprong van ons diagram naar die 2 bolletjes weten we de trekrichting & treksnelheid van de left- en rightmover.



Nu komt het sleutelpunt!

Op vlak van supercel-dynamica is er maar 1 belangrijk aspect te bekijken, namelijk de storm relatieve wind: de wind die de bui zelf ondervindt als zij door de omgeving beweegt. Hoe de wind aan het oppervlak is heeft geen belang, evenals hoe de wind op een bepaalde hoogte is. Het is de wind die de bui zèlf ondervindt die impact heeft op vlak van supercel-dynamics. 

Al de rest is volstrekt onbelangrijk. Vragen in de zin van "zitten we in de left-exit of right entrance?", "Is de jet in de buurt?", "is de trog diep?",... zijn volstrekt nutteloos.

Het ènige dat telt, maar dan ook het ènige is de stormrelatieve wind (ik kan het niet genoeg zeggen)

De stormrelatieve wind vinden we door simpelweg een pijl te trekken van de "storm motion" naar het hodogram. Trekken we bijvoorbeeld een pijl van het bolletje dat het buientraject voorstelt naar het bolletje van de wind op 1km hoog is dat de stormrelatieve wind op 1km. 

Hier zie je een hodogram met een hypothetisch traject dat de buien zullen volgen. Je ziet dat dit niet de gemiddelde wind is in de laag 0 - 6km, maar toch is dit buientraject mogelijk. Stel je bijvoorbeeld een sterke outflowboundary voor die richting het oosten trekt en de bui op die boundary meebeweegt...


\[{\vec V_{sr}} = \vec V - {\vec V_s}\]

Het sleutelingrediënt voor de ondersteuning van supercels is de aanwezigheid van sterke low-level storm-relatieve wind. De bui dient in de lage niveaus dus een intense wind te ondervinden.

De storm-relatieve wind is in de formule van de SREH of storm relatieve heliciteit de dominante factor en is dan ook één van de belangrijkste factoren in het benaderen van supercels (samen met het BRN of Bulk Richardson Number).

Om het potentiëel te benaderen op updraft rotatie zijn er 3 ingrediënten die in beschouwing moeten genomen worden. En natuurlijk kunnen we die alle 3 op een hodogram aflezen.
  • Sterke storm-relatieve wind
  • Sterke curve van het hodogram
  • Storm relatieve wind onder een hoek van 90° op het hodogram
Deze 3 factoren zijn onder 1 berekening gebracht, en noemt de befaamde SREH. De meest gebruikte is de SREH van 0 - 3km. De SREH is een indicator voor het potentieel om een roterende updraft te hebben en is enorm afhankelijk van de "storm-motion".

De SREH tussen 0 en 3km is het integraal van het dot-product van de storm-relatieve wind en de horizontale vorticiteits-vector, geïntegreerd over de 0 - 3km diepte.

\[SRE{H_{0 - 3}} = \int_0^3 {\left( {{V_{sr}} \cdot {\omega _h}} \right)} dZ\]


Passen we dit gegeven toe aan het traject van onze afwijkende left & rightmover, trekken we een lijn van hun respectievelijke storm-motion naar het bolletje dat de 3km wind voorstelt op het hodogram en de wind aan het oppervlak.

Het ingesloten gebied tussen het hodogram en de lijntjes die we net getrokken hebben is het volume (integraal = volume/oppervlakteberekening) die de heliciteit voorstelt. Hoe groter dit volume/oppervlak, hoe sterker de heliciteit.

Vandaar dat de heliciteit zo een sterke functie is van de storm-motion.

En hierdoor weten we trouwens ook de reden waarom rightmovers zo intens zijn. Als zij van hun pad langs rechts beginnen afwijken wordt het ingesloten gebied (integraal) groter en inhaleren de buien ineens veel sterkere heliciteit waardoor hun rotatie nog sterker wordt aangespannen.

Stel nu dat we een buienbeweging hebben die ons geen of weinig heliciteit geeft, maar er een sterke outflowboundary nadert en er ontspringt op die boundary een onweersbui is het mogelijk dat haar traject door de beweging van die grenslaag "geforceerd begint af te wijken" van het normale buientraject.

Hierdoor is het best mogelijk dat deze geforceerde beweging ineens wèl heliciteit oplevert omdat de outflowboundary onze onweersbui in een gunstige richting trekt en daardoor (ook al toont het hodogram oorspronkelijk geen indicatie voor supercels) de bui in kwestie sterke supercellulaire eigenschappen ontwikkelt en zichzelf ontplooit tot een gevaarlijk monsterlijke mesocycloon.

Vandaar dat men bij het benaderen van noodweersituaties zich altijd bewust moet zijn van de buienbeweging en dat er ruimte moet gegeven worden aan een bredere waaier aan mogelijkheden.

27 maart 2014 was daar het ultieme voorbeeld van, waarbij we een veerings-profiel hadden met een buienbeweging richting het NW. Een outflowboundary van de oorspronkelijke buien begaven zich richting het noorden waarlangs er ineens in het NW van België 2 sterke ploffers zijn ontstaan die het ZW van Nederland zijn binnengetrokken.


Door hun geforceerde beweging injecteerden die ineens nog sterkere shearwaarden waardoor hun bliksemactiviteit in overdrive ging en een enorm sterke organisatie genoten. Vandaar zulke hoge bliksemactiviteit bij een ondermaats thermodynamisch profiel.

Als laatste noot voeg ik graag toe dat het gebruik van het hodogram altijd in samenspraak dient te gebeuren met de thermodynamische eigenschappen van een situatie en altijd in combinatie met weerkaarten moet gebruikt worden.

Windschering is belangrijk... belangrijker dan de thermodynamische eigenschappen, maar zonder lift mag je nog de sterkste windschering hebben die de meest gewelddadige supercels ondersteunt. Onweer zal er niet komen.

Ook vind je hier een link naar een blanco hodogram om de topics in het artikel eens zelf toe te passen.